Beoordeling bloedgas:

Bepaal eerst of er sprake is van een acidose of een alkalose: gebruik hiervoor de pH

Een pH < 7.36 is een acidose, terwijl een pH> 7.44 een alkalose is

Bepaal vervolgens wat de oorzaak is van de zuurbase afwijking:


In normale situaties zal het lichaam een metabole acidose proberen te compenseren door het verlagen van de PaCO2
De verwachte compensatoire respons is een daling van 1.2 mm Hg (=0.16 kPa) van de PaCO2 voor iedere mmol/l daling van de bicarbonaatconcentratie
Bij een metabole alkalose is de verwachte compensatoire respons is een stijging van 1 mm Hg (=0.13 kPa) van de PaCO2 voor iedere mmol/l stijding van de bicarbonaatconcentratie

Verwachte compensatoire respons bij een zuurbase stoornis:
  1. Metabole acidose
      Daling van 1.2 mm Hg (=0.16 kPa) van de PaCO2 voor iedere mmol/l daling van de bicarbonaatconcentratie
  2. Metabole alkalose
      Stijging van 1 mm Hg (=0.13 kPa) van de PaCO2 voor iedere mmol/l stijging van de bicarbonaatconcentratie
  3. Respiratoire acidose acuut
      Stijging van 1 mmol/l van bicarbonaatconcentratie voor iedere 10 mm Hg (=1.33 kPa) stijging van de PaCO2
  4. Respiratoire acidose chronisch
      Stijging van 3.5 mmol/l van bicarbonaatconcentratie voor iedere 10 mm Hg (=1.33 kPa) stijging van de PaCO2
  5. Respiratoire alkalose acuut
      Daling van 2 mmol/l van bicarbonaatconcentratie voor iedere 10 mm Hg (=1.33 kPa) daling van de PaCO2
  6. Respiratoire alkalose chronisch
      Daling van 5 mmol/l van bicarbonaatconcentratie voor iedere 10 mm Hg (=1.33 kPa) daling van de PaCO2





Differentiaal diagnose van een metabole acidose met een verhoogde aniongap:

  1. Lactaatacidose
  2. Ketoacidose
  3. Nierinsufficientie
  4. Intoxicaties
    1. Salicylaten
    2. Methanol of formaldehyde
    3. Ethyleenglycol
    4. Paraldehyde
    5. Tolueen
    6. Sulfaat
  5. Ernstige rhabdomyolysis



Differentiaal diagnose van een metabole acidose met een normale aniongap:

  1. Gastrointestinaal verlies:
    1. Diarree
  2. Renaal bicarbonaatverlies:
    1. type 2 (proximale) renale tubulaire acidose
  3. Nierinsufficientie
    1. Sommige oorzaken van nierinsufficientie
    2. Hypoaldosteronisme (type 4 renale tubulaire acidose)
    3. Type 1 (distale) renale tubulaire acidose
  4. Intoxicaties
    1. Ammonium chloride
    2. Hyperalimentatie vloeistoffen
  5. Sommige vormen van ketoacidose, m.n. tijdens behandeling met insuline